Algemene informatie voor naasten van de patiënt op de intensive care


De intensive care (IC) is een bijzondere afdeling binnen het ziekenhuis. De patiënten zijn ernstig ziek, er is veel complexe medische apparatuur, regelmatig worden grote of kleine ingrepen verricht bij de patiënt en soms moeten heel ingrijpende beslissingen genomen worden. Artsen en verpleegkundigen zullen de wettelijk vertegenwoordiger van de patient goed informeren over de toestand van de patiënt. Zeker in het begin kan het voor de naasten moeilijk zijn om alle informatie te onthouden en te begrijpen. Op deze pagina vindt u uitleg over de (i) meest voorkomende ziektebeelden bij de IC patiënt, (ii) apparatuur op de IC en (iii) ingrepen en beslissingen die van toepassing kunnen zijn op de IC patiënt.
Deze pagina is niet compleet en wordt regelmatig bijgewerkt. De informatie op deze pagina dient niet ter vervanging van een gesprek met de arts. U kunt deze pagina wel gebruiken om specifieke onderdelen van een gesprek nog eens na te lezen of u voor te bereiden op een gesprek. De informatie op deze pagina is algemeen en hoeft niet van toepassing te zijn op een specifieke patiënt. Vraag bij twijfel altijd de behandelend arts of verpleegkundige om uitleg.

Overzicht
I. Algemene informatie intensive care afdeling
II. Welke patiënten liggen op de IC
III. Welke aandoeningen hebben IC patiënten?
IV. Apparatuur op de intensive care en veel voorkomende handelingen

  • Algemene informatie
  • Plaatsen van blaaskatheter
  • Plaatsen van een maagslang
  • Arteriële katheter (slangetje in de slagader)
  • Centraal veneuze katheter (groot infuus of lange lijn)
  • Plaatsing van een pulmonalis katheter (longslagader katheter of Swan Ganz katheter).
  • Beademingsmachine
  • Ontwennen van beademing
  • Tracheostoma (plaatsen van tube in de hals)
  • Pleurpunctie (afname van vocht achter de longen)
  • Thorax drainage (inbrengen slang in borstholte)
  • Bronchoscopie (kijkonderzoek van de longen)
  • Nierdialyse
  • Endoscopie (kijkonderzoek van maag en / of darm)
  • Reanimatie
  • Gelimiteerd beleid


I. Algemene informatie intensive care afdeling
De intensive care (IC) is de afdeling in het ziekenhuis waar patiënten opgenomen die ernstig ziek zijn ten gevolge van een stoornis in de functie van een belangrijk orgaan, zoals het hart of de longen. Op de IC werken medisch specialisten (intensivisten), IC-verpleegkundigen, fysiotherapeuten, logopedisten, ergotherapeuten, microbiologen, apothekers en nog andere professionals.
Kenmerkend voor een IC afdeling is de aanwezigheid van veel complexe medische apparatuur en veel personeel in vergelijking met andere ziekenhuis afdelingen. Op de IC afdeling zijn veel meer verpleegkundigen per patiënt beschikbaar en zij hebben een aanvullende opleiding om met ernstig zieke patiënten te kunnen werken. Op de IC wordt gebruik gemaakt van geavanceerde medische apparatuur. Deze apparatuur wordt gebruikt om de patiënt te kunnen monitoren (in de gaten houden). Bij de meeste patiënten vindt continue registratie van de bloeddruk, hartritme, zuurstofgehalte en andere orgaanfuncties plaats. Daarnaast zijn er machines die de organen van de patiënt kunnen ondersteunen. Bijvoorbeeld een beademingsmachine voor de longen, een dialysemachine voor de nieren of een kunsthart. Deze apparatuur kan indrukwekkend zijn voor de familie, maar is van essentieel belang voor het overleven van de IC patiënt.


II. Welke patiënten liggen op de IC
Vele ziekten kunnen zo ernstig worden dat opname op een IC afdeling noodzakelijk is:

1. Problemen met hart en vaten, zoals hele hoge bloeddruk, of juist lage bloeddruk (shock), afwijkend hartritme, of ernstige hartaanval.

2. Problemen met de longen, zoals astma, COPD, longontsteking of longembolie. Soms is de longfunctie zo ernstig gestoord dat de patiënt tijdelijk kunstmatig beademd moet worden.

3. Ernstige infecties, zoals bloedvergiftiging (sepsis), hersenvliesontsteking (meningitis), infecties in de buik of ernstige huidinfecties.

4. Hersenschade, bijvoorbeeld ten gevolge van een hersenbloeding, een stolsel in hersenvaten (herseninfarct), een hersenschudding of na een ernstig ongeluk waar het hoofd schade opgelopen heeft.

5. Ernstige ongelukken in het verkeer, ernstige verbranding of geweld. Deze patiënten zijn soms in de eerste uren / dagen ernstig ziek en worden daarom opgenomen op een IC afdeling.

6. Na grote chirurgische ingrepen, bijvoorbeeld aan het hart of de hersenen. Voor deze patiënten is het van groot belang dat zij in de eerste dag / dagen na de operatie goed beoordeeld worden door een ervaren IC team.

III. Welke aandoeningen hebben IC patiënten?
In dit hoofdstuk wordt een aantal ziektebeelden beschreven die vaak bij IC patiënten voorkomen. De aandoeningen worden globaal beschreven en deze lijst is uiteraard niet volledig.

1. Hart en vaten.
Het hart pompt het bloed door de bloedvaten, zodat zuurstof naar alle organen getransporteerd kan worden. Zuurstof is essentieel om te kunnen leven. Als het hart of de bloedvaten onvoldoende werken kan dat ernstige gevolgen hebben voor andere organen in het lichaam.

Hartinfarct (hartaanval) ontstaat als de hartspier onvoldoende zuurstof krijgt om goed te kunnen functioneren omdat een van de kransslagaders verstopt is geraakt. Als dit gebeurt voelt de patiënt vaak een beklemmende pijn op de borst, armen, schouders en / of kaak. Soms zijn er gevoelens van duizeligheid, zweten en misselijkheid. Het is van belang dat de verstopping van de kransslagaders zo snel mogelijk opgeheven wordt door toediening van bloedverdunners. Indien dit onvoldoende effect heeft kan via een katheterisatie van de kransslagader het vat weer geopend worden (dotteren). Soms wordt nog een stent (buisje) in de kransslagader geplaatst. Indien dit onvoldoende effect heeft kan de hartchirurg beslissen omleidingen bij het hart aan te brengen (“bypass operatie”).

Shock: In de medische termen wordt met shock bedoeld dat de bloeddruk te laag is om voldoende zuurstof naar de organen te brengen. Bijvoorbeeld de nieren en de hersenen zijn kwetsbaar bij een te lage bloeddruk. Er zijn verschillende oorzaken voor shock: een ernstige infectie (septische shock), een hartaanval (cardiogene shock) of ernstige bloeding (verbloeding shock). De verschillende vormen van shock hebben allemaal hun eigen wijze van behandeling.
Soms is een shock zo ernstig dat behandeling niet meer mogelijk is, of dat organen onherstelbaar beschadigd zijn. Een bekende complicatie van shock is bijvoorbeeld nierfalen.

Hartritme stoornissen: Het normale hart klopt 60 tot 100 maal per minuut. Als het hart te langzaam of te snel klopt kan de bloeddruk dalen (shock) en is behandeling met medicijnen noodzakelijk. Indien hartritmestoornissen zeer ernstig zijn kan een elektrische schok (defibrillatie) nodig zijn om het hart weer in het normale ritme terug te brengen. Indien ook een elektrische schok niet succesvol is en bloeddruk erg laag, moet de patiënt gereanimeerd worden.

Hartfalen: Als de pompfunctie van het hart zo slecht is dat het bloed niet meer voldoende rond gepompt kan worden spreken we van hartfalen. Er kan dan vocht in de longen ophopen (longoedeem). De patiënt voelt zich ernstig kortademig. De behandeling bestaat uit toediening van medicijnen en vaak ook beademing met een masker, of soms zelfs met een beademingsbuisje (tube).


2. Longen en ademspieren
De longen zorgen regelen de gaswisseling, wat wil zeggen dat zuurstof opgenomen wordt in het lichaam en koolzuur wordt uitgeademd. Ademspieren (het middenrif) kunnen het volume van de longen vergroten waardoor lucht ingeademd wordt.

Longfalen: als de gaswisseling zo slecht is dat er een tekort aan zuurstof of teveel aan koolzuur in het bloed ontstaat spreken we van longfalen. In eerste instantie wordt extra zuurstof toegediend. Als dit niet voldoende is wordt gestart met kunstmatige beademing.
Longfalen met onvoldoende zuurstof opname in de longen kan voorkomen bij verschillende ziektes zoals longinfectie, longoedeem (“vocht achter de longen”) en sommige vormen van longontsteking (ARDS).
Longfalen met stapeling van koolzuur in het bloed is vaak het gevolg van zwakte van de ademspieren (middenrif en tussenrib spieren). Zuurstof toediening helpt dan niet. Bij een hoog koolzuur in het bloed is ondersteuning van de longen met een beademingsmachine noodzakelijk. Oorzaken voor deze vorm van longfalen zijn acute astma aanval, longemfyseem en chronische bronchitis (COPD).

Beademingsmachines genezen de long niet. Als een patiënt kunstmatig beademd wordt zal het IC team zo snel mogelijk de oorzaak van het longfalen behandelen en trachten de patiënt weer zonder beademingsmachine te laten ademen (uitgebreide informatie over kunstmatig beademing en ontwenning zie verder).

Longinfectie: Een infectie van de longen is een veel voorkomende reden voor opname op de IC afdeling. Een longinfectie ontstaat als een micro-organisme, bijvoorbeeld een bacterie of een virus in de long terecht komt. Het longweefsel raakt ontstoken en de long komt vol te staan met slijm of pus. Andere klachten bij een longinfectie zijn koorts, kortademigheid en hoesten. De meeste longinfecties worden met antibiotica (penicillines) behandeld. Als de longontsteking zo ernstig is dat het zuurstofgehalte in het bloed te laag wordt, is kunstmatige beademing noodzakelijk.

Longembolie: (bloedstolsel in de longen). Onder sommige omstandigheden kunnen zich stolsels vormen in de benen, bijvoorbeeld na een lange vliegreis, of langdurige bedrust. Een deel van dit stolsel in de benen kan in de longen terecht komen. Hierdoor ontstaat pijn bij het ademhalen en kortademigheid. Bij een ernstige longembolie kan longfalen ontstaan of kan de patiënt zelfs komen te overlijden. De behandeling van longembolie is toediening van bloedverdunners.


3. Nieren
De nieren zijn de organen die afvalstoffen uit het bloed verwijderen via de urine.

Nierfalen: Indien het lichaam geen urine meer produceert of teveel afval stoffen in het bloed achterblijven bestaat nierfalen. Er zijn diverse oorzaken voor nierfalen, zoals uitdroging, lage bloeddruk, ontstekingen, bijwerking van sommige medicijnen, röntgencontrastmiddelen of nierstenen. De patiënt voelt zich ziek en soms kortademig door het overtollige vocht. De behandeling kan bestaan uit diuretica (plasmedicijnen) of nierdialyse.

4. Maag-darmkanaal
Het maag-darmkanaal omvat onder andere de mond, slokdarm, maag, dunne- en dikke darm. Het doel van het maag-darmstelsel is met name opname van voedingsstoffen.

Bloedingen: Een vaak voorkomende oorzaak van opname op de IC is een grote bloeding uit het maag-darmkanaal. Maagzweren kunnen pijn veroorzaken, maar ook maagbloedingen. Dit uit zich in het overgeven van bloed of het zwart kleuren van de ontlasting. Vaak wordt een endoscopie uitgevoerd om de exacte plek van de bloeding te kunnen vinden en de bloeding lokaal te stelpen. Indien dit niet lukt kan dit door middel van radiologisch onderzoek of een operatie.

Ondervoeding: Dit is zelden een reden tot opname op de IC afdeling. Wel kan een vorm van ondervoeding ontstaan op de IC. Dit kan het gevolg zijn van onvoldoende werking van het maag-darmkanaal. Het IC team zal veel aandacht besteden aan goede voeding, ook bij patiënten die in “coma gehouden” worden. Voor herstel van de ernstig zieke patiënt is goede voeding van groot belang.


IV. Apparatuur op de intensive care en veel voorkomende handelingen:

1. Algemene informatie
Bij patiënten op de intensive care worden vaak medische / verpleegkundige handelingen uitgevoerd om de patiënt te kunnen bewaken of goed te kunnen behandelen.
Elk handeling heeft een specifiek doel maar kent ook risico’s (complicaties). In dit hoofdstuk beschrijven we beknopt procedures en apparatuur die frequent gebruikt worden op de intensive care. Dit hoofdstuk dient als algemene informatie en is niet altijd van toepassing op een individuele patiënt. Vraag de behandelend arts of verpleegkundige om aanvullende informatie. Dit hoofdstuk kan u wel helpen gerichte vragen te stellen tijdens een gesprek. Laat u ook niet ongerust maken bij het lezen van dit hoofdstuk. Handelingen worden altijd verricht door goed getraind personeel. Voor de meeste handelingen is in protocollen beschreven hoe de handeling uitgevoerd moet worden. De beschreven complicaties komen over het algemeen maar weinig voor of kunnen zelfs helemaal niet van toepassing zijn. Het IC team zal voor elke behandeling een bewuste afweging maken van de te verwachten risico’s en de veronderstelde voordelen. Toch is het belangrijk dat u zich goed laat informeren door de behandelend IC arts.
Sommige apparaten of procedures worden zo vaak toegepast op de IC dat u tevoren niet geïnformeerd wordt. Dit is dan onderdeel van de routine behandeling en de risico’s zijn gering. Voorbeelden hiervan zijn ECG (hartfilmpje), bloedafname, plaatsen van infuusnaalden en urinewegkatheters. Behandelingen die ingrijpender zijn, of meer risico kunnen worden tevoren met familie besproken. Voorbeelden hiervan zijn het starten van kunstmatige beademing met een buisje in de keel (tube) of het verrichten van chirurgische ingrepen. Alleen in noodsituaties (bijvoorbeeld reanimatie) kan niet altijd tevoren toestemming gevraagd worden voor een ingreep.

2. Plaatsen van blaaskatheter
Bijna alle patiënten op de IC hebben een buisje (katheter) in de blaas via de plasbuis. De katheter is verbonden met een zak waarin de urine opgevangen wordt. Deze katheter wordt door de IC verpleegkundige geplaatst.

Reden voor plaatsing van blaaskatheter:

Meten van de urine productie
. De hoeveelheid urine die een patiënt per uur produceert geeft belangrijke informatie over de nierfunctie. De urine kan ook gebruikt worden voor bepalingen in het laboratorium.

Leegmaken van de blaas: Veel patiënten op de IC zijn te ziek om zelf te plassen. Een urinewegkatheter voorkomt dat de patiënt incontinent is of dat de blaas vol loopt met urine. Een te volle blaas kan gevaarlijk zijn.

Risico’s van een blaaskatheter
Infectie: Langdurige aanwezigheid van een blaaskatheter kan leiden tot urineweginfecties. IC-verpleegkundigen controleren de functie van de katheter regelmatig en wisselen deze bij tekenen van infectie.

Schade aan plasbuis: Tijdens het inbrengen van de katheter kan schade ontstaan aan de plasbuis. Dit is zeer zeldzaam. Indien dit gebeurt geneest de wond meestal vanzelf. Zeer zelden is behandeling door een uroloog nodig.

Vanwege het lage risico van het inbrengen van een blaaskatheter en de grote voordelen tijdens de behandeling wordt de familie over het algemeen niet tevoren geïnformeerd.



3. Plaatsen van een maagslang (sonde)
De meeste patiënten op de IC kunnen zelf niet goed slikken. Patiënten die kunstmatig beademd worden kunnen niet zelf eten. Om toch voeding te kunnen toedienen wordt een slang (sonde) via de neus of de mond door de slokdarm in de maag gebracht.

Reden voor plaatsing van een maagsonde:

Voeden: Via de maagslang kan sondevoeding toegediend worden bij patiënten die zelf niet kunnen eten.

Controleren van de maagfunctie: Het is belangrijk dat de maag niet te vol met voeding of maagsappen komt te staan. De patiënt zou kunnen gaan overgeven, waarbij maaginhoud in de longen kan komen. Met een maagslang kan dit risico verminderd worden.

Risico’s

Discomfort. Bij wakkere patiënten kan plaatsing van de maagsonde oncomfortabel zijn. De IC verpleegkundige zal de sonde voor plaatsing insmeren met een gel, waardoor plaatsing over het algemeen soepel gaat.

Plaatsing in de long. Bij het inbrengen kan de sonde soms naar de luchtpijp gaan in plaats van de slokdarm. Indien de patiënt wakker is leidt dit tot een hoest reaktie. Bij niet wakkere patiënten is dit moeilijker te controleren en zal een röntgenfoto gemaakt worden voordat gestart wordt met het geven van voeding.

Klaplong: Heel zelden gaat de sonde via de luchtpijp naar de long. De sonde kan dan een gaatje in de long maken. Meestal gaat dit gaatje weer vanzelf dicht. Indien dit niet gebeurt ontstaat een klaplong. Hiervoor kan plaatsing van een longdrain nodig zijn.

Vanwege het lage risico van het inbrengen van een maagslang en de grote voordelen tijdens de behandeling wordt de familie over het algemeen niet tevoren geïnformeerd.


4. Arteriële katheter (slangetje in de slagader)
Een arteriële katheter is een dun slangetje dat in een slagader geplaatst wordt (arm of lies). De arteriële katheter wordt gebruikt voor continue meting van de bloeddruk en voor afname van bloed voor het laboratorium.

Redenen voor plaatsing van een arteriële katheter

Lage bloeddruk: Een lage bloeddruk kan gevaarlijk zijn. Indien de bloeddruk niet snel verhoogd kan worden met een vochtinfuus wordt vaak een arteriële katheter ingebracht. De bloeddruk kan dan continue gemeten worden. Dit is belangrijk om de dosering van medicijnen die de bloeddruk verhogen nauwkeurig te regelen.

Hoge bloeddruk: Ook een heel hoge bloeddruk is gevaarlijk en moet met medicijnen via het infuus behandeld worden. Met een arteriële lijn kan de bloeddruk continue gemeten worden en medicatie nauwkeurig worden toegediend.

Ernstige longschade: In de eerste fase van ernstige longschade wordt de patiënt vaak kunstmatig beademd en moet vaak vele malen per dag bloed afgenomen worden te controle van het zuurstof en koolzuur gehalte in het bloed. Indien een arteriële katheter aanwezig is hoeft de patiënt niet steeds geprikt te worden, wat comfortabeler is voor de patiënt.

Risico’s van de arteriële katheter

Pijn tijdens plaatsing: De arts zal voor het prikken de huid plaatselijk verdoven waardoor de pijn meestal beperkt is. De pijn zal verdwijnen als de katheter eenmaal geplaatst is. Bij sommige patiënten blijft langdurig een tintelend gevoel aanwezig in de hand na het prikken.

Infectie: Alle katheters die in het lichaam geplaatst worden verhogen het risico op een infectie. Via de katheter kunnen bacteriën van de huid het lichaam binnendringen. Hoe langer de arteriële katheter aanwezig is, hoe groter het risico op infectie. Op de intensive care worden strikte maatregelen genomen om infectierisico laag te houden. Toch is een infectie van de arteriële katheter niet met altijd te voorkomen.

Bloedstolsels: Een bloedstolsel kan zich vormen aan de katheter die in de bloedbaan aanwezig is. Dit kan de lokale bloedvoorziening verminderen en zeer ernstige gevolgen hebben voor bijvoorbeeld een hand. Ernstige complicaties ten gevolge van een stolsel op de katheter zijn extreem zeldzaam. IC verpleegkundigen en artsen controleren een aantal maal per dag de bloedvoorziening naar de hand waar de katheter ingebracht is.

Bloeding: Bij het inbrengen, maar ook na het verwijderen van de katheter kan een bloeding ontstaan. Het risico op bloeding is groter bij patiënten die een bloedverdunner gebruiken. Na het verwijderen van de arteriële katheter zal de verpleegkundige of arts de wond goed afdrukken en vaak een strak verband aanleggen (met name als de arteriële katheter in de liesstreek geplaatst is geweest).


5. Centraal veneuze katheter (groot infuus of lange lijn)
Dit is een lang (15 -25 cm) dun buisje dat in een bloedvat (ader) geplaatst wordt, meestal in de hals, onder het sleutelbeen of in de lies. Gewone infusen (venflon) worden meestal in een ader van de arm ingebracht. Het risico van inbrengen van een centraal veneuze katheter is groter dan van een gewone infuus naald, maar heeft wel een aantal voordelen.

Redenen voor plaatsing van een centraal veneuze katheter

Toediening van bijzondere medicatie. Sommige medicijnen kunnen niet toegediend worden in een ader van de arm. Deze medicijnen kunnen de aders van de arm ernstig beschadigen en mogen daarom alleen in een grote ader toegediend worden. Een grote ader kan alleen aangeprikt worden met een centraal veneuze katheter.

Toediening van voeding. Als de darmen van de patiënt niet werken moet voeding rechtstreeks in de bloedbaan ingebracht worden, dit mag alleen via een centraal veneuze katheter.

Meting van de hartfunctie. Indien een centraal veneuze katheter ingebracht wordt in de hals of onder het sleutelbeen kan de arts metingen verrichten die informatie geven over de hartfunctie. Ook kan via deze katheter bloed direct uit het hart afgenomen worden. Dit bloed kan informatie geven over de pompfunctie van het hart.

Risico’s

Pijn tijdens plaatsing: De arts zal altijd lokale verdoving geven. Toch kan het aanprikken van het bloedvat pijnlijk zijn. Als de katheter eenmaal geplaatst is, zal de pijn verdwenen zijn.

Klaplong: De long ligt heel dicht bij de aders in de hals en de ader onder het sleutelbeen. Met de naald kan de long aangeprikt worden waardoor een klaplong kan ontstaan. Een klaplong is een ernstige complicatie die kan leiden tot (tijdelijk) zuurstofgebrek en zeer zelden tot de dood. De risico’s van het plaatsen van een centraal veneuze katheter zijn iets hoger bij patiënten die kunstmatig beademd worden. Als een klaplong ontstaat zal de arts een longdrain plaatsen om de lucht achter de longen af te voeren. Tegenwoordig zal een arts bijna altijd echografie gebruiken om de beste aanprikplaats te bepalen voor de centraal veneuze katheter. Sinds de echo gebruikt wordt, is het risico op klaplong veel lager geworden.

Infectie: Alle katheters die in het lichaam geplaatst worden verhogen het risico op een infectie. Via de katheter kunnen bacteriën van de huid het lichaam binnendringen. Hoe langer de katheter aanwezig is, hoe groter het risico op infectie. Op de intensive care worden strikte maatregelen genomen om het risico op katheter infecties te verminderen. Toch is een katheter infectie niet altijd te voorkomen.

Bloeding: De bloedingen die ontstaan bij het aanprikken van een ader zijn meestal niet ernstig en stoppen vanzelf. Het gebruik van echografie bij het inbrengen van de katheter maakt het risico op bloedingen kleiner. Zeer zelden ontstaat een ernstige bloeding in de borstholte waarvoor plaatsing van een drain noodzakelijk is. Zeer zelden is een operatie nodig om de bloeding te stoppen.

Stolsels: Op de katheter kunnen stolsels ontstaan. Als deze losraken van de katheter komt het stolsel in de long terecht (longembolie). Meestal heeft dit geen ernstige gevolgen voor de patiënt.

Aanzuigen van lucht door de katheter: Zeer zelden kan lucht in een bloedvat komen tijdens het inbrengen van de centraal veneuze katheter. Dit wordt een luchtembolie genoemd. De luchtbel gaat dan via het hart naar de longen. De patiënt kan kortademig worden en een lage bloeddruk krijgen. De arts neemt altijd voorzorgsmaatregelen om dit te voorkomen.


6. Plaatsing van een pulmonalis katheter (longslagader katheter of Swan Ganz katheter).
Bij patiënten op de intensive care die een lage bloeddruk houden of een slechte hartfunctie hebben kan de arts besluiten een katheter in te brengen in de longslagader. Deze katheter wordt geplaatst via een centraal veneuze katheter (zie boven). De pulmonalis katheter gaat via een ader in de hals, naar de rechter hartkamer en dan naar de longslagader. De katheter blijft meestal 3 dagen in het lichaam.

Redenen voor plaatsing van een pulmonalis katheter
Deze katheter helpt de arts te begrijpen waarom een patiënt een lage bloeddruk blijft houden ondanks behandeling of waarom de hartfunctie slecht is. Er is veel discussie over het gebruik van deze katheter op de intensive care. De experts zijn van mening dat deze katheter belangrijke informatie oplevert bij sommige patiënten.

Lage bloeddruk / shock: Metingen die verricht worden met de pulmonalis katheter helpen de arts te bepalen hoeveel vocht de patiënt toegediend moet krijgen via het infuus en of medicijnen nodig zijn om het hart te ondersteunen.

Hoge bloeddruk in longslagader: Bij sommige ziekten kan de bloeddruk in de longslagader te hoog worden. Met deze katheter kan de arts de druk meten en het effect van behandeling beoordelen.

Risico’s

Voor de plaatsing van een pulmonalis katheter moet de arts eerst een centraal veneuze katheter prikken. De risico’s hiervan staan hierboven beschreven. He plaatsen van een pulmonalis katheter heeft nog een aantal specifieke risico’s.

Hartritme stoornissen: Bij het inbrengen van de katheter kan het hart geprikkeld worden waardoor het hart tijdelijk heel snel kan gaan kloppen. Meestal verdwijnt dit weer spontaan. Bij patiënten die al hartritme stoornissen (linker bundeltakblok) hebben kan het inbrengen wel tot ernstige complicaties leiden. De arts zal voor het inbrengen altijd een hartfilmpje maken om te beoordelen of de patiënt deze ritmestoornis heeft.

Scheur in de longslagader: Dit is een zeer zeldzame complicatie, waarbij de katheter een scheurtje veroorzaakt in de longslagader, met als gevolg een longbloeding.

De arts zal de risico’s van het inbrengen van een pulmonalis katheter altijd afwegen tegen de voordelen. Ernstige complicaties komen bij minder dan 5% van de patiënten voor.


7. Beademingsmachine
Een beademingsmachine is een apparaat dat de ademhaling van de patiënt helemaal of gedeeltelijk kan overnemen. Voordat een patiënt beademd kan worden moet een buisje (“tube”) via de mond in de luchtpijp gebracht worden (“intubatie”). Hiervoor wordt de patiënt eerst diep in slaap gebracht met medicijnen. De patiënt merkt zelf niks van het inbrengen van de tube. Na het inbrengen van de tube wordt de ademhaling van de patiënt overgenomen door de beademingsmachine.
Soms wordt in plaats van een tube een gezichtsmasker gebruikt (noninvasieve beademing, NIV). Hoewel een beademingsmachine levensreddend is voor patiënten met ernstig zieke longen, is kunstmatige beademing ook risicovol. De arts zal proberen de patiënt zo snel mogelijk weer helemaal zelf te laten ademen.

Redenen voor kunstmatige beademing

Verbeteren van de gaswisseling: De belangrijkste functie van onze longen is het opnemen van zuurstof en uitblazen van koolzuur. Bij longfalen is het zuurstofgehalte in het bloed te laag, of het koolzuur te hoog. Een beademingsmachine kan dan het zuurstof- en koolzuur gehalte in het bloed weer normaliseren. Soms is het zuurstofgehalte in het bloed nog wel normaal, maar moet de patiënt heel hard werken om voldoende zuurstof binnen te krijgen. Om het comfort te verbeteren kan een beademingsmachine de patiënt ondersteunen met ademhalen. Dit voorkomt uitputting van de patiënt.
Een beademingsmachine kan een zieke long niet genezen. Andere behandelingen, bijvoorbeeld antibiotica bij een infectie, moeten de oorzaak van het longfalen behandelen.

Risico’s

Inbrengen van beademingsbuis (intubatie): Patiënten die op de intensive care beademd moeten worden zijn ernstig ziek. In slaap brengen van deze patiënten en het plaatsen van de beademingsbuis in de luchtpijp is een risicovolle handeling. Deze procedure wordt door de artsen en IC verpleegkundigen altijd goed voorbereid. Er is altijd een ervaren arts aanwezig. Door de slaapmedicatie die voor de intubatie toegediend wordt kan de bloeddruk dalen. Dit kan meestal goed behandeld worden met toediening van extra vocht via het infuus, of medicijnen die de bloeddruk verhogen. De intubatie kan moeilijker zijn dan ingeschat. De procedure duurt dan langer, wat kan leiden tot ernstige daling van het zuurstofgehalte in het bloed. Zeer zelden leidt dit tot een reanimatie en zelfs overlijden van de patiënt.

Infecties: Door de aanwezigheid van een buisje in de keel kan een patiënt minder goed ophoesten. Dit verhoogt het risico op longinfecties. Het risico is ongeveer 1% per dag. Longinfecties kunnen meestal goed behandeld worden met antibiotica.

Klaplong (pneumothorax): De beademingsmachine perst onder druk lucht in de longen. Soms moet hoge druk gebruikt worden om voldoende lucht in de longen te brengen. Het risico is dan een klaplong. De arts zal altijd zo laag mogelijk beademingsdruk gebruiken om dit risico laag te houden. Als een klaplong ontstaat zal de arts een slang (drain) in de borstholte plaatsen om overtollig lucht te laten aflopen (zie nummer 11).

Longschade: Zieke longen zijn kwetsbaar. Alle patiënten die beademd worden hebben zieke longen. De hoge druk die gebruikt wordt om lucht in de longen te pompen kan verdere longschade induceren. De arts zal altijd zo laag mogelijk druk gebruiken om dit risico te reduceren.

Discomfort: Vaak krijgen patiënten die beademd worden medicijnen toegediend die angst en onrust onderdrukken. Teveel van deze medicijnen is ook schadelijk en kan leiden tot onnodig lange afhankelijkheid van de beademingsmachine. De arts en verpleegkundige beoordelen meerdere malen per dag of de hoeveelheid medicijnen voldoende is. Naasten kunnen aangeven als zij vinden dat de patiënt oncomfortabel is, zij kennen de patiënt immers het beste.

Rekken van lijden: Bij sommige ernstig zieke patiënten kan het gevolg van doorgaan met behandelen betekenen dat het proces van overlijden langer wordt. Soms is het longfalen een teken van iets wat onvermijdbaar is: de dood. Een beademingsmachine kan dit dan niet voorkomen, maar het overlijden slechts uitstellen. Bij iedere kunstmatig beademde patiënt zal het IC team regelmatig beoordelen of herstel nog mogelijk is. Dit is niet eenvoudig. Een beslissing om te stoppen met behandelen wordt altijd in samenspraak met meerdere medisch specialisten, IC verpleegkundigen en familie van patiënt genomen (zie verder).

8. Ontwennen van beademing
Ontwennen van beademing omvat het hele proces waarbij het IC team ervoor zorgt dat de patiënt na een periode van kunstmatige beademing weer zelfstandig kan ademen. Een patiënt moet beademd worden indien ernstig longfalen optreedt. Als het longfalen hersteld is, moet de patiënt zo snel mogelijk weer zelf gaan ademen. Voordat het beademingsbuisje verwijderd wordt, kan een ontwen trial gedaan worden. De patiënt ademt dan zonder machine, maar nog met het beademingsbuisje in de luchtpijp. Als de patiënt dit een vooraf bepaalde periode (b.v. 1 uur) volhoudt kan het beademingsbuisje verwijderd worden.

Soms houden patiënten een ontwentrial wel goed vol, maar enkele uren nadat de tube verwijderd is wordt de patiënt toch weer kortademig en moet het tube opnieuw in de luchtpijp geplaatst worden. Dit komt voor bij 15 – 20% van de patiënten. Indien de patiënt zeer ernstig ziek geweest is, kan ontwenning van de beademing lange tijd in beslag nemen. Indien ontwenning van de beademing lang duurt kan een de arts besluiten een second opinion in een centrum met expertise op dit gebied te vragen.


9. Tracheostoma (plaatsen van tube in de hals)
Een tracheostoma is een beademingsbuis die niet via de mond in de luchtpijp is ingebracht, maar direct via de hals in de luchtpijp uitkomt. Dit wordt via een kleine snede in de huid van de hals gedaan (zie foto). Dit wordt een tracheostoma genoemd. Meestal wordt deze ingreep door de intensive care arts verricht op de IC afdeling. Als de patiënt weer zelfstandig kan ademen gedurende een aantal dagen wordt het tracheostoma weer verwijderd.

Redenen om tracheostoma in te brengen

Langdurige beademing: Als de verwachting is dat het ontwennen van de beademing lang gaat duren kan de arts een tracheostoma aanbrengen. Dit verhoogt het comfort van de patiënt op lange termijn. Met een tracheostoma kan de patiënt weer spreken, wat de communicatie verbetert. Sommige patiënten kunnen met een tracheostoma weer zelf eten en drinken.

Bescherming van de longen: Zieke patiënten hebben soms te weinig kracht om goed te kunnen slikken, zelfs als ze al deels ontwend zijn van de beademingsmachine. Een tracheostoma kan de kan voorkomen dat mond of maaginhoud in de longen komt als de patiënt niet goed slikt.

Risico’s

Bloedingen: een bloeding kan ontstaan tijdens het inbrengen van het tracheostoma, maar in ook veel later als het tracheostoma nog aanwezig is. De meeste bloedingen zijn mild en kunnen en stoppen vanzelf. Soms moet een extra hechting geplaatst worden om de bloeding te stoppen. Heel zelden treedt een levens bedreigende bloeding op.

Spraak: in de eerste dagen nadat het tracheostoma geplaatst is kan de patiënt niet spreken. Pas na 5 – 7 dagen na de plaatsing kan een spraak canule ingebracht worden.

Eten: De eerste dagen na plaatsing van een tracheostoma kan de patiënt niet zelf eten. Voeding vindt plaats door een maagsonde. Na enkele dagen wordt de logopediste gevraagde de slikfunctie van de patiënt te beoordelen. Bij adequate slikfunctie kan de patiënt zelf gaan eten. Vaak is nog wel aanvulling met sondevoeding nodig.

Infectie: Zoals na elke operatie kan wondinfectie optreden. Dit is een zeldzame complicatie. Indien dit optreedt moet het tracheostoma weer verwijderd worden.

Litteken: Na het verwijderen van het tracheostoma blijft levenslang een litteken zichtbaar in de hals. In welke mate het litteken zichtbaar is verschilt per patiënt en is niet te voorspellen.

Vernauwing van de luchtpijp: Nadat het tracheostoma verwijderd is kan een vernauwing in de luchtpijp ontstaan door littekenweefsel. Dit is een zeldzame complicatie. Indien de patiënt hiervan klachten heeft, kan littekenweefsel via een bronchoscopie verwijderd worden. Heel zelden moet litteken weefsel door middel van een (ingrijpende) operatie verwijderd worden.

10. Pleurpunctie (afname van vocht achter de longen)
Bij intensive care patiënten ontstaat vaak vocht in de borstholte (“vocht achter de longen”). Hiervoor zijn vele oorzaken. Als de oorzaak onduidelijk is zal de arts wat vocht afnemen om te kunnen onderzoeken in het laboratorium. De afname van vocht vindt plaats door met een naald tussen de ribben te prikken en vocht op te zuigen uit de borstholte.
Indien een grote hoeveelheid vocht in de borstholte aanwezig is, kan door middel van een drain (holle buis) een grote hoeveelheid vocht (soms meer dan 1 liter) verwijderd worden.

Redenen voor afname van vocht in de borstholte

Nieuw vocht: de eerste keer dat vocht in de borstholte ontstaat wil de arts de oorzaak weten. Vocht wordt afgenomen om te laten onderzoeken in het laboratorium.

Infectie: Als de patiënt koorts krijgt en vocht in de borstholte aanwezig is, kan het vocht in de borstholte de oorzaak van de infectie zijn. Afname van vocht kan dit aantonen of uitsluiten.

Kanker: Bij sommige vormen van kanker kan vocht in de borstholte ontstaan. Afname van vocht kan soms helpen in de beoordeling of het vocht gerelateerd is aan kanker.

Comfort: Een grote hoeveelheid vocht in de borstholte kan leiden tot kortademigheid of problemen tijdens kunstmatige beademing. Afname van een grote hoeveelheid vocht kan deze klachten verminderen.

Risico’s

Pijn tijdens het prikken: Het prikken met een naald in de huid kan pijnlijk zijn. De arts zal beoordelen of lokale verdoving zinvol is. Indien slechts eenmaal geprikt hoeft te worden met een dunne naald is lokale verdoving niet zinvol. Het verdoven zal pijnlijker zijn, dan de pleurapunctie zelf.

Bloedingen: Onder de huid lopen bloedvaten. Deze kunnen per ongeluk aangeprikt worden, wat leidt tot een bloeding. Meestal stopt deze bloeding vanzelf. Om het risico van een bloeding te verminderen wordt meestal de toediening van bloedverdunners voor het uitvoeren van de pleurapunctie onderbroken. De arts zal een afweging moeten maken tussen het risico van het stoppen van de bloedverdunners en het risico op een bloeding. Heel zelden treedt een ernstige bloeding op waarvoor plaatsing van een drain (dikke slang) in de borstholte of zelfs een chirurgische ingreep noodzakelijk is.

Klaplong (pneumothorax): Heel zelden kan de naald die in de borstholte geprikt wordt de long raken, waardoor een klaplong ontstaat. Als dit gebeurt moet vaak een drain ingebracht worden om lucht in de borstholte te verwijderen. Overigens is het risico op een klaplong veel lager als de arts gebruik maakt van echografie.


11. Thorax drainage (inbrengen slang in borstholte)
Een thorax drainage wordt uitgevoerd om vocht of lucht uit de borstholte (thorax) te kunnen verwijderen. Vocht in de borstholte kan onder andere ontstaan bij een infectie, hartfalen, na een trauma of bij kanker. Bij thoraxdrainage wordt een slang (drain) via een kleine snede in de borstholte gebracht. Dit wordt gedaan onder lokale verdoving. De drain wordt verbonden met een opvangbak, zodat vocht kan aflopen. Meestal blijft de drain enkele dagen in het lichaam.

Redenen voor het inbrengen van een thoraxdrain

Klaplong: Bij een klaplong is lucht achter de longen gekomen. Dit kan het gevolg zijn van een ongeluk, maar ook na een medische ingreep, bijvoorbeeld het prikken van een centraal veneuze katheter (zie boven). Aan de beademing kan dit leiden tot gevaarlijke situaties. Daarom wordt meestal een drain ingebracht.

Infectie: Als het vocht in de borstholte geïnfecteerd is wordt de borstholte gespoeld via de drain.

Comfort: een grote hoeveelheid vocht achter de long kan leiden tot kortademigheid of problemen tijdens kunstmatige beademing. Met een drain kan dit vocht verwijderd worden.


Risico’s

Pijn: de drain wordt onder lokale verdoving ingebracht, maar soms kan het inbrengen toch nog pijnlijk zijn. Als de drain eenmaal geplaatst is, neemt de pijn meestal snel af. De arts zal zorgen voor goede pijnstilling.

Bloedingen: Onder de huid lopen bloedvaten. Deze kunnen per ongeluk geraakt worden, wat leidt tot een bloeding. Meestal stopt deze bloeding vanzelf. Om het risico van een bloeding te verminderen wordt meestal de toediening van bloedverdunners voor het uitvoeren van de pleurapunctie onderbroken. De arts zal een afweging moeten maken tussen het risico van het stoppen van de bloedverdunners en het risico op een bloeding. Heel zelden treedt een ernstige bloeding op een chirurgische ingreep noodzakelijk is.

Infectie: De drain wordt geplaatst via een snede in de huid. Door deze snede kunnen bacteriën in de borstholte komen, wat leidt tot een infectie. De arts zal de drain onder steriele omstandigheden inbrengen en de wond wordt dagelijks verzorgd. Het optreden van een infectie is toch niet altijd te voorkomen.

Litteken: Na verwijderen van de drain blijft een litteken zichtbaar (grootte 1 – 2 cm). De mate waarin het litteken zichtbaar blijft verschilt per patiënt en is niet te voorspellen.

12. Bronchoscopie (kijkonderzoek van de longen)
Een bronchoscopie wordt uitgevoerd als de arts de luchtwegen wil inspecteren of om vastzittend slijm uit de luchtwegen te verwijderen.
Een bronchoscoop is een medisch instrument met een kleine camera die in de luchtwegen gebracht kan worden. Bij wakkere patiënten kan dit via de neus of de mond. Op de intensive care wordt de bronchoscoop ingebracht via het beademingsbuisje (tube of tracheostoma, zie boven).

Redenen voor het uitvoeren van een bronchoscopie

Vastzittend slijm (atelectase)
: bij een patiënt die kunstmatig beademd is, zal de IC verpleegkundige enkele malen per dag een zuigslang in de luchtwegen brengen om overtollig slijm te verwijderen. De meeste IC patiënten kunnen immers onvoldoende hoesten. Soms is het uitzuigen door de verpleegkundige niet afdoende en ontstaan er slijmproppen in de longen. Met een bronchoscoop kunnen deze verwijderd worden.

Longbloeding: als een patiënt bloed ophoest kan met de bronchoscoop de oorzaak van de longbloeding gevonden worden en meestal kan ook de bloeding gestelpt worden.

Infecties: bij ernstige longinfecties kan het nodig zijn om vocht uit de longen af te nemen voor onderzoek in het laboratorium. Dit helpt bij het geven van een goede behandeling tegen de infectie.


Risico’s

Discomfort en hoesten: het inbrengen van de bronchoscoop in de luchtweg kan een hoestprikkel en kortademigheid veroorzaken. De arts zal altijd lokale verdoving in de longen geven om dit gevoel te verminderen. Op de intensive care kan gekozen worden om de patiënt voor de bronchoscopie in slaap te brengen met medicijnen.

Klaplong: het risico op een klaplong tijdens een bronchoscopie is zeldzaam. Als er hapjes (biopten) uit het longweefsel genomen worden via de bronchoscoop is het risico wel veel groter (meer dan 10%). De arts zal dit risico afwegen. Als een klaplong optreedt moet een drain geplaatst worden (zie boven, nummer 11).

Afname in zuurstofgehalte: tijdens de bronchoscopie kan de long minder goed zuurstof opnemen en kan tijdelijk een afname in het zuurstofgehalte in het bloed ontstaan. Dit kan meestal voorkomen worden door het geven van extra zuurstof. Op de intensive care wordt het zuurstof gehalte van de patiënt continue gemeten en wordt de bronchoscopie onderbroken als het zuurstof gehalte te ver daalt. Bij een grote longspoeling kan de daling in zuurstof gehalte vele uren aanhouden. De arts maakt tevoren een inschatting of het veilig is bij de patiënt een grote longspoeling te verrichten.

Bloeding: een bloeding ten gevolge van bronchoscopie is zeldzaam als er geen hapjes (biopten) uit de long genomen worden. Indien de arts wel besluit tot het nemen van biopten zullen eerst bloedverdunners gestopt moeten worden. Toch kan nog een bloeding optreden, die meestal vanzelf stopt. Een levensbedreigende bloeding is zeldzaam.


13. Nierdialyse
Als de nieren van een patiënt niet voldoende functioneren (nierfalen) kan die functie door een machine overgenomen worden, dit noemen we nierdialyse. Bij intensive care patiënt is nierfalen meestal tijdelijk, hoewel bij sommige patiënten de nieren ook na opname na de intensive care niet meer herstellen. Een dialyse apparaat wordt via een groot infuus (dialyselijn) met de patiënt verbonden. De dialyselijn wordt ingebracht in een ader in de lies of de hals. We kennen verschillende vormen van nierdialyse. Soms wordt een patiënt eenmaal per 2 dagen gedurende 3 uur aangesloten aan de dialysemachine. Op een intensive care wordt meestal gekozen voor een langzamere vorm van nierdialyse. Hierbij is de patiënt het grootste deel van de dag aan de machine gekoppeld. Bij sommige patiënten kan na enkele dagen de nierdialyse weer gestopt worden, maar vaak is een langere periode van weken tot maanden nodig en zelden zelfs levenslang.

Redenen voor starten van nierdialyse
Acuut nierfalen is de belangrijkste reden om te starten met nierdialyse op de intensive care. Heel soms wordt nierdialyse gestart bij vergiftigingen met medicijnen.

Risico’s

Bij nierdialyse moet een groot infuus ingebracht worden. Dus alle risico’s die beschreven zijn bij “centraal veneuze katheter” gelden ook voor de dialyselijn (nummer 5).

Lage bloeddruk: bij nierdialyse wordt vocht onttrokken uit het lichaam, wat bij ernstig zieke patiënten kan leiden tot een daling in de bloeddruk. Bij het gebruik van langzame dialyse methodes, zoals op de intensive care, is dit bijna nooit een probleem.

Rekken van lijden: Bij sommige ernstig zieke patiënten kan het gevolg van doorgaan met behandelen betekenen dat het proces van overlijden langer duurt. Soms is het nierfalen een teken van iets wat onvermijdbaar is: de dood. Een dialyse apparaat kan dit dan niet voorkomen, maar het overlijden slechts uitstellen. Bij iedere dialysepatiënt zal het IC team regelmatig beoordelen of herstel nog mogelijk is. Dit is niet eenvoudig. Een beslissing om te stoppen met behandelen wordt altijd in samenspraak met meerdere medisch specialisten, IC verpleegkundigen en familie van patiënt genomen.


14. Endoscopie (kijkonderzoek van maag en / of darm)
Bij een endoscopie wordt een kleine camera in de maag of darmen gebracht. De endoscoop is een lange flexibele buis die via de mond of anus in de darm gebracht kan worden.

Redenen voor het uitvoeren van een endoscopie

Plaatsing van een diepe voedingssonde: veel patiënten op de intensive care kunnen niet zelf eten. Voeding wordt toegediend via een maagsonde (zie nummer 3 “plaatsen maagslang”). Als de maag ook niet goed functioneert moet de sonde dieper ingebracht worden, tot in de dunne darm. Dit kan niet door een IC verpleegkundige, maar moet door middel van endoscopie.

Bloeding uit maag-darm kanaal: als een patiënt overgeeft met bloed, of bloed verlies met de ontlasting kan een endoscopie de oorzaak van de bloeding vaststellen. Ook kan zo meestal de bloeding gestelpt worden.

Diarree: bij langdurige ernstige diarree, is het soms nodig de darm te inspecteren en hapjes (biopten) te nemen om de oorzaak van diarree te vinden.


Risico’s

Lage bloeddruk: op de intensive care krijgen patiënten voor de endoscopie medicijnen om rustig te worden of om te slapen. Hierdoor kan tijdelijk de bloeddruk dalen. Omdat de bloeddruk heel vaak gemeten wordt op de intensive care, kan hier snel op gereageerd worden door toediening van vocht of medicijnen.

Schade aan maag-darm kanaal (perforatie): de endoscoop is een flexibele buis, die soms schade veroorzaakt in het maag-darm kanaal. Heel zelden kan zelfs een gat in de darm ontstaan ten gevolge van de endoscopie. Dit is een ernstige complicatie, waardoor infecties kunnen ontstaan en de patiënt zelfs kan komen te overlijden. Dit is zeer zeldzaam. De arts zal altijd de voordelen en nadelen afwegen voor een endoscopie uitgevoerd wordt.

Bloeding: de maag of darm kan door de endoscoop beschadigd worden waardoor een bloeding ontstaat. Deze is meestal mild en stopt vanzelf.


15. Reanimatie
Een reanimatie is een medische handeling die uitgevoerd wordt bij een hartstilstand of acuut zeer ernstig zuurstofgebrek. Patiënten die gereanimeerd moeten worden zijn dichtbij de dood en hebben vaak een slechte prognose (toekomstverwachting). Het doel van een reanimatie is de patiënt weer tot leven brengen. We onderscheiden twee soorten reanimatie. De eerste wordt BLS genoemd (basic life support, ofwel basale reanimatie). Bij BLS moeten twee handelingen verricht worden:


    BLS is belangrijk als een iemand een hartstilstand buiten het ziekenhuis krijgt. Omstanders moeten zo snel mogelijk met BLS beginnen.

    De tweede vorm van reanimatie is ALS (advanced life support ofwel professionele reanimatie). Bij ALS wordt naast de handelingen als genoemd bij BLS nog andere medische handelingen verricht:


      Redenen voor het starten van reanimatie
      Reanimatie wordt gestart binnen enkele minuten na het ontstaan van een hartstilstand.

      Risico’s
      Patiënten die gereanimeerd moeten worden na een hartstilstand hebben meestal een slechte uitkomst. Slechts 10 - 20% van de patiënten overleeft na een reanimatie. Of een reanimatie succesvol is hangt van veel factoren af, waaronder de duur van de hartstilstand voordat begonnen wordt met reanimatie, de leeftijd van patiënt en de oorzaak van de hartstilstand. Zelfs als het hart na een reanimatie weer goed functioneert kan ernstige schade aan de hersenen opgetreden zijn door zuurstof gebrek. De schade kan zo ernstig zijn dat verdere behandeling medisch zinloos is.

      Discussie
      Bij opname in het ziekenhuis kan de patiënt aangeven of hij / zij gereanimeerd wil worden indien een hartstilstand optreedt. Het is belangrijk dat de voordelen en nadelen van een reanimatie afgewogen worden. Als een patiënt niet gereanimeerd wil worden, kan alle andere behandeling, inclusief kunstmatige beademing nog wel gestart worden. Patiënten kunnen terugkomen op een eerdere beslissing om niet gereanimeerd te willen worden.
      Soms kan de arts om medische redenen besluiten dat het niet zinvol is een patiënt te reanimeren, bijvoorbeeld vanwege een slechte algehele conditie of een andere ziekte die op korte termijn tot de dood leidt (zie nummer 16 en 17). Deze beslissing zal altijd met de patiënt besproken worden. Indien de patiënt niet aanspreekbaar is wordt de wettelijk vertegenwoordiger van de patiënt op de hoogte gebracht door de arts.


      16. Gelimiteerd beleid
      Gelimiteerd beleid is een term die aangeeft dat niet alle mogelijke medische behandelingen nog gestart worden bij een patiënt. Voorbeelden van gelimiteerd beleid zijn: “niet beademen”, “niet reanimeren”, “geen nierdialyse”. Een gelimiteerd beleid is een genuanceerde beslissing. In het dossier van de patiënt wordt nauwkeurig vermeld welke medische behandeling wel en welke niet meer gestart wordt. De patiënt wordt altijd ingelicht over deze beslissing. Indien de patiënt niet aanspreekbaar is wordt de wettelijk vertegenwoordiger van de patiënt op de hoogte gebracht door de arts.
      Overigens is het verstandig om over deze beslissingen na te denken en te bespreken met uw naasten voordat u opgenomen wordt in het ziekenhuis. Laat u goed informeren en bespreek deze beslissing ook met de huisarts. Overigens kan een beslissing altijd herroepen worden door de patiënt.


      17. Einde van het leven op de intensive care
      Op de intensive care liggen de ziekste patiënten van het ziekenhuis. Veel patiënten die opgenomen worden op de intensive care en daar langer dan enkele dagen liggen, hebben een hoog risico om te overlijden. Doodgaan op een intensive care is heel anders dan thuis en kan voor naasten heel onnatuurlijk zijn. Indien de dood onafwendbaar is, zal het IC team er alles aan doen om het overlijden waardig te laten verlopen. De wens van de patiënt en familie speelt een belangrijke rol.
      In dit hoofdstuk worden een aantal punten besproken die van belang kunnen bij de periode rondom het overlijden van de intensive care patiënt.

      Beslissen de behandeling te stoppen en medisch zinloze behandeling: Beslissingen omtrent het einde van het leven op de intensive care zijn complex omdat moderne medische apparatuur een patiënt lang in leven kan houden. Het leven kan met deze apparaten verlengd worden zonder dat er een kans bestaat op herstel met een goede kwaliteit van leven.
      Door de ernst van de ziekte zijn patiënten in deze fase vaak niet meer instaat om zelf een beslissing te nemen om de behandeling te stoppen. Indien geen kans meer bestaat op herstel met redelijke tot goede kwaliteit van leven, moeten anderen die beslissing voor de patiënt nemen. De arts kan besluiten dat verdere medische behandeling zinloos is.
      Een medische behandeling is zinvol als deze (i) een redelijk doel dient voor de patiënt en als (ii) voor de betrokkene de baten opwegen tegen de lasten. Een belangrijke vraag is bijvoorbeeld of het nog zinvol is om het leven van de patiënt te behouden? Verstoort een belastende behandeling niet teveel de laatste levensfase van de patiënt?
      Als de arts besluit dat verder behandelen medisch zinloos is, zal na overleg met wettelijk vertegenwoordiger en naasten van de patiënt besloten worden de behandeling te stoppen. Indien de wettelijk vertegenwoordiger het niet eens is met deze beslissing kan deze om een second opinion vragen. De arts zal dit niet zien als een kwestie van wantrouwen en in het algemeen graag meewerken om dit te organiseren.

      Het stoppen van de levensverlengende behandeling: Indien besloten is de levensverlengende behandeling te stoppen op de intensive care worden de apparaten die de patiënt in leven houden afgekoppeld. Dit zijn bijvoorbeeld de beademingsmachine, nierdialyse of apparaten die het hart ondersteunen (kunsthart, ballonpomp). Ook medicijnen die het leven verlengen worden gestopt. De behandeling van de patiënt stopt niet, maar het accent ligt niet meer op genezing. Medicijnen worden alleen gegeven als deze het comfort van patiënt verhogen. Vaak wordt morfine gegeven tegen pijn en kortademigheid . Eventueel wordt een rustgevend middel gegeven via het infuus of als tablet (bijvoorbeeld midazolam). Ook verzorging van de patiënt gaat gewoon door. In deze fase van het leven is comfort erg belangrijk. Het IC team zal er alles aan doen om het overlijden zo rustig mogelijk te laten verlopen, zoals patiënt en naasten dit wensen. Na het afkoppelen van de machines en stoppen van medicijnen kan de patiënt heel snel overlijden (na enkele minuten), maar kan ook nog dagen duren. Heel zelden leeft de patiënt zelfs nog langer.
      Het is belangrijk te benadrukken dat het stoppen van de behandeling geen euthanasie is, ook niet als de patiënt snel na het stoppen van de behandeling overlijdt.

      Hersendood: bij hersendood is er geen activiteit meer van de hersenen of hersenstam. Apparatuur op de intensive care kunnen het hart nog lange tijd laten kloppen en het bloed van voldoende zuurstof voorzien, maar de patiënt is wettelijk gezien dood. Er is geen enkele kans meer op herstel. Om vast te stellen of een patiënt hersendood is moet de neuroloog een aantal onderzoeken uitvoeren, waaronder een elektro-encefalogram (EEG ofwel hersenfilmpje).
      De diagnose hersendood heeft een belangrijke juridische betekenis. Pas als een patiënt hersendood is kan orgaandonatie plaatsvinden. Het is overigens niet zo dat behandeling van een patiënt op de intensive care pas gestopt wordt als de patiënt hersendood is. Verdere behandeling kan medisch zinloos zijn (zie boven) zonder dat de patiënt voldoet aan de criteria van hersendood.

      orgaandonatie: Als een patiënt hersendood wordt op de intensive care afdeling zal altijd de mogelijkheid tot orgaandonatie overwogen worden. Orgaandonatie is het proces waar een orgaan van een hersendode patiënt uitgenomen wordt tijdens een operatie en afgestaan (gedoneerd) wordt aan een andere patiënt. Veel mensen hebben via het donorregister kenbaar gemaakt of zij orgaandonor willen zijn als zij hersendood worden. De arts zal dit register raadplegen indien van toepassing. Indien een patiënt geregistreerd staat als orgaandonor is formele toestemming voor orgaandonatie van de wettelijk vertegenwoordiger / naasten van de patiënt niet perse nodig. Naasten van de patiënt worden goed geïnformeerd door de intensive care arts en een transplantatie coördinator. Ook in deze fase van de IC behandeling is goede begeleiding van de familie een prioriteit van het IC team.
      Voor uitgebreide informatie over donatie verwijzen wij naar de website van de transplantatie stichting (transplantatiestichting.nl)


      Voor opmerkingen of vragen naar aanleiding van deze pagina: nexcob@umcn.nl